Zeester

Zes witte bruisende sproeiers kleuren mooi met de blauwe bekleding van de fontein en de rode baksteen op de vloer.

Plaats: Droogbak 
Datum: 2000
Ontwerp: Simon Sprietsma, architect, hoofdontwerper sector Openbare Ruimte, Dienst Binnenstad Amsterdam
Materiaal: zwart granieten rand, bekleding bassin van blauw glas-mozaïek
Afmetingen: hoogte bassinrand 0,48 m

Het plein heeft de vorm van een driehoek en ligt iets hoger dan de straten eromheen. Trappen van vijf treden markeren de twee rechte zijden van de driehoek. In het midden van de schuine zijde ligt de fontein, een vijfpuntige ster. Vier banken en wat bomen staan in een halve cirkel om de watersculptuur. Zes witte bruisende sproeiers kleuren mooi met de blauwe bekleding van de fontein en de rode baksteen op de vloer. Het water stroomt door smalle openingen in de sterpunten uit het bassin en verdwijnt in het rooster op de grond. De fontein sproeit dag en nacht. Zodra het donker wordt verlichten lampen het opspringende water. Van november tot en met mei is de fontein afgedekt met een roestvast stalen deksel die precies op de zeester past. Als het donker wordt straalt licht uit de talloze gaatjes in de zilverkleurige deksel. 

 De zeester en het overstromende water verwijzen naar de roemrijke geschiedenis van de Amsterdamse haven en handel en de zo belangrijke verbinding met zee.

Eeuwenoude plek

De Zeester ligt op een eeuwenoude plek. De naam Droogbak kwam al in de zeventiende eeuw voor. Waar die naam vandaan komt weet men niet. Het kan met het droogleggen en aanplempen te maken hebben, elke uitbreiding van Amsterdam moest bevochten worden op het water. Of misschien is de naam tot het stadje Dröbak terug te voeren dat ten zuiden van Oslo ligt, in een van de fjorden van Noorwegen. Amsterdam haalde daar hout vandaan voor de bouw van schepen en huizen. In de buurt van de Droogbak heeft ooit een uithangbord gehangen waar het stadje Dröbak op was afgebeeld.

In de zeventiende eeuw lag de haven van Amsterdam nog aan de monding van de Amstel in het open water van het IJ. Van het ‘Open Havenfront’ voeren de zeilschepen over het IJ, over de ondiepten bij Pampus en over de Zuiderzee naar de Waddenzee en langs Den Helder de Noordzee op en verder over de wereldzeeën voor de handel op de Oost en de West. Het was de enige verbinding van Amsterdam met de zee. Door het getij slibde de haven regelmatig dicht, drijvende baggermolens moesten de vaargeulen openhouden. De haven werd beschermd tegen de golfslag van het IJ door een dubbele rij palen in het water van Droogbak tot Schreierstoren. Aan de palen lagen grote zeilschepen, met hun lading van overzee, afgemeerd te wachten op de kleinere schepen. Veren en marktschuiten brachten de goederen verder over de rivier de stad in en naar het achterland. Wat een schilderachtig gebied moet die halve kom van de haven geweest zijn. Vanaf de plek waar nu de fontein ligt, zag men naar het oosten en noorden, zover het oog reikte, water. Op de golven en aan de steigers lagen talloze grote en kleine schepen met hun masten en zeilen en daarboven blonken de Hollandse luchten. Geen gebouwen of bruggen belemmerden het uitzicht, het Centraal Station bestond nog niet, de Sint Nicolaas kerk moest nog gebouwd worden. Waar nu de stroom mensen van en naar het station beweegt, stroomde toen het water van de Amstel het IJ in en weer terug, op het ritme van eb en vloed. 

Literatuur en bronnen

Amstelodanum 1999. Renée Kistemaker, Water als deel van het openbaar gebied in 17de en 18de eeuws Amsterdam.
De Opmerker, weekblad voor Beeldende Kunst en Technische Wetenschap van ‘Architectura et Amicitia’, C.B. Posthumus Meyjes.
Gesprek met Rob van Maarschalkerwaart, coördinator Productontwikkeling & Innovatie, sector Openbare Ruimte, Dienst Binnenstad Amsterdam.